Dutch

Detailed Translations for luider from Dutch to French

luider:

luider [znw.] noun

  1. luider (beller)
    la sonnette

Translation Matrix for luider:

NounRelated TranslationsOther Translations
sonnette beller; luider bel; carillonspeler; deurbel; einder; gezichtseinder; handbel; heiblok; heimachine; heistelling; horizon; huisbel; kim; klokje; polshorloge; schel; zakhorloge; zakuurwerk

Related Words for "luider":


luid:


Translation Matrix for luid:

NounRelated TranslationsOther Translations
bruyant belhamel; raddraaier; raddraaister
criard brulboei; bulderaar; schreeuwer; schreeuwlelijk
effervescence agitatie; beroering; drukte; gebruis; geraas; gewoel; gisting; heibel; heksenketel; het bruisen; lawaai; leven; ongedurigheid; onrust; opschudding; pandemonium; rumoer; tumult
fort burcht; citadel; kasteel; ridderkasteel; ridderslot; slot
haut hoogste punt; kruin; top
tapageur belhamel; bulderaar; druktemaker; herrieschopper; kabaalmaker; lawaaimaker; levenmaker; oproerkraaier; raddraaier; raddraaister; rustverstoorder; stokebrand; zenuwlijder
AdjectiveRelated TranslationsOther Translations
- hard
ModifierRelated TranslationsOther Translations
agité hard; hardop; luid; luidkeels; uit volle borst bewogen; geagiteerd; gehaast; gejaagd; gestressed; haastig; hectisch; jachtig; levendig; ongedurig; onrustig; roerig; turbulent; veelbewogen; verhit; woelig
animé lawaaierig; luid; luidruchtig; rumoerig actief; bedrijvig; bevlogen; beweeglijk; bezet; bezield; bezig; blij; blijgeestig; blijmoedig; dartel; druk; drukbezet; drukpratend; dynamisch; energiek; enthousiast; fideel; fleurig; geanimeerd; geestdriftig; geestig; jolig; kleurig; kwiek; levendig; levenslustig; lustig; monter; onrustig; opgeruimd; opgetogen; opgewekt; roerig; tierig; uitgelaten; vief; vol fut; vrolijk; wakker; welgemoed; woelig; zonnig
brayard hard; lawaaierig; luid; luid klinkend; luidruchtig; rumoerig
bruyamment hard; hardop; lawaaierig; luid; luid klinkend; luidruchtig; rumoerig joelend; met lawaai; schreeuwend
bruyant hard; hardop; lawaaierig; luid; luid klinkend; luidruchtig; rumoerig joelend; roezemoezig; schreeuwend
carrément luid; luidkeels; uit volle borst botweg; cru; direct; eerlijk; fideel; gulweg; met open vizier; onbewimpeld; ongezouten; onomwonden; onverbloemd; onverholen; open; openhartig; openlijk; oprecht; platweg; rechttoe rechtaan; rondborstig; ronduit; ruiterlijk; trouwhartig; vrij; vrijelijk; vrijuit
criard hard; lawaaierig; luid; luid klinkend; luidruchtig; rumoerig hard; hoog; schel; scherp; schril; snerpend
effervescence hard; hardop; luid
fort hard; hardop; lawaaierig; luid; luid klinkend; luidruchtig; rumoerig behoorlijk; bijzonder; buitengemeen; buitengewoon; buitensporig; corpulent; danig; degelijk; dik; duchtig; energiek; erg; excessief; extreem; fantastisch; fel; ferm; fiks; flink; formidabel; fors; forse; geanimeerd; gekruid; gepeperd; geweldig; gezet; grievend; hartig; heel erg; heftig; hevig; hogelijk; hoogst; intens; intensief; krachtig; krenkend; kruidig; kwetsend; levendig; lijvig; pittig; potig; prachtig; robuust; solide; sterk; stevig; stevig gebouwd; stoer; ten zeerste; uitermate; uiterst; vet; vettig; vief; vol energie; vol fut; zeer; zwaarlijvig
haut hard; hardop; luid; luidkeels; uit volle borst
sonore hard; luid; luid klinkend gehorig; geluiddoorlatend; harmonieus; klankrijk; klankvol; klinkend; melodieus; sonoor; welklinkend; welluidend
tapageur hard; hardop; lawaaierig; luid; luidkeels; luidruchtig; rumoerig; uit volle borst joelend; opzichtig; protserig; schreeuwend; schreeuwerig
tapageuse hard; hardop; lawaaierig; luid; luidkeels; luidruchtig; rumoerig; uit volle borst joelend; schreeuwend
tapageusement hard; hardop; lawaaierig; luid; luidkeels; luidruchtig; rumoerig; uit volle borst joelend; schreeuwend
très haut luid; luidkeels; uit volle borst hemelhoog; huizehoog; mijlenhoog; torenhoog
tumultueuse lawaaierig; luid; luidruchtig; rumoerig joelend; schreeuwend
tumultueux lawaaierig; luid; luidruchtig; rumoerig joelend; schreeuwend
turbulent lawaaierig; luid; luidruchtig; rumoerig bewogen; bezet; blij; blijmoedig; dartel; druk; drukbezet; levendig; levenslustig; monter; ongedurig; onrustig; opgetogen; opgewekt; roerig; stoeiziek; tierig; turbulent; uitbundig; uitgelaten; veelbewogen; vrolijk; woelig
à haute voix hard; hardop; lawaaierig; luid; luid klinkend; luidkeels; luidruchtig; rumoerig; uit volle borst mondeling; verbaal
à pleine gorge luid; luidkeels; uit volle borst

Related Words for "luid":

  • luidheid, luider, luidere, luidst, luidste

Synonyms for "luid":


Antonyms for "luid":


Related Definitions for "luid":

  1. krachtig, overduidelijk te horen1
    • met luide stem riep hij ons1

Wiktionary Translations for luid:

luid
adjective
  1. veel lawaai producerend
luid
adjective
  1. Qui élever. — note Par opposition à bas et à petit, en parlant d’un objet considérer par rapport à tous les autres objets du même genre, ou seulement par comparaison à un ou à plusieurs autres.
  2. Qui rendre un son.

Cross Translation:
FromToVia
luid fort; forte loud — of a sound
luid fort laut — von Ton und Stimmen : stark, intensiv