Summary
Dutch to French:   more detail...
  1. gestremd:
  2. stremmen:
  3. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for gestremd from Dutch to French

gestremd:

gestremd adj

  1. gestremd (geronnen; gestold)

Translation Matrix for gestremd:

ModifierRelated TranslationsOther Translations
caillé geronnen; gestold; gestremd
coagulé geronnen; gestold; gestremd

gestremd form of stremmen:

stremmen verb (strem, stremt, stremde, stremden, gestremd)

  1. stremmen (blokkeren)
    bloquer; barrer; fermer
    • bloquer verb (bloque, bloques, bloquons, bloquez, )
    • barrer verb (barre, barres, barrons, barrez, )
    • fermer verb (ferme, fermes, fermons, fermez, )
  2. stremmen (stijf worden)
    se solidifier; verrouiller; se coaguler
    • verrouiller verb (verrouille, verrouilles, verrouillons, verrouillez, )

Conjugations for stremmen:

o.t.t.
  1. strem
  2. stremt
  3. stremt
  4. stremmen
  5. stremmen
  6. stremmen
o.v.t.
  1. stremde
  2. stremde
  3. stremde
  4. stremden
  5. stremden
  6. stremden
v.t.t.
  1. ben gestremd
  2. bent gestremd
  3. is gestremd
  4. zijn gestremd
  5. zijn gestremd
  6. zijn gestremd
v.v.t.
  1. was gestremd
  2. was gestremd
  3. was gestremd
  4. waren gestremd
  5. waren gestremd
  6. waren gestremd
o.t.t.t.
  1. zal stremmen
  2. zult stremmen
  3. zal stremmen
  4. zullen stremmen
  5. zullen stremmen
  6. zullen stremmen
o.v.t.t.
  1. zou stremmen
  2. zou stremmen
  3. zou stremmen
  4. zouden stremmen
  5. zouden stremmen
  6. zouden stremmen
diversen
  1. strem!
  2. stremt!
  3. gestremd
  4. stremmend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for stremmen:

VerbRelated TranslationsOther Translations
barrer blokkeren; stremmen afbakenen; afpalen; afsluiten; afzetten; barricaderen; begrenzen; beperken; doorstrepen; dwarsbomen; dwarsliggen; indammen; inkapselen; inperken; kruisen; laveren; limiteren; naar einde toewerken; omlijnen; tegen de wind in varen; tegenwerken; versperren
bloquer blokkeren; stremmen afbreken; barricaderen; belemmeren; beletten; blokkeren; doen ophouden; halt houden; klemrijden; obstructie plegen; onderbreken; ophouden; platleggen; remmen; stopzetten; tegenhouden; tot staan brengen; vastrijden; verhinderen; versperren
fermer blokkeren; stremmen afbakenen; afgrendelen; afpalen; afsluiten; afzetten; begrenzen; borgen; dicht maken; dichtbinden; dichtdoen; dichtdraaien; dichtmaken; grendelen; locken; naar einde toewerken; nullificeren; omlijnen; ondervangen; op slot doen; op slot zetten; opheffen; sluiten; teniet doen; toebinden; toedoen; toedraaien; toemaken; toetrekken; vergrendelen; verijdelen; vernietigen
se coaguler stijf worden; stremmen kazen; klonteren
se solidifier stijf worden; stremmen kazen; klonteren
verrouiller stijf worden; stremmen afgrendelen; afschermen; afsluiten; borgen; dichtdoen; dichtmaken; grendelen; locken; naar einde toewerken; op slot doen; op slot zetten; sluiten; toedoen; toedraaien; toemaken; toetrekken; vergrendelen

Wiktionary Translations for stremmen:


Cross Translation:
FromToVia
stremmen cailler curdle — to form or cause to form curds
stremmen cailler gerinnen — zusammenklumpen und ausfallen einer Substanz aus einer Suspension oder Lösung