Dutch

Detailed Translations for erger from Dutch to French

erger:


Translation Matrix for erger:

NounRelated TranslationsOther Translations
pire dieptepunt; laagtepunt
ModifierRelated TranslationsOther Translations
pire erger; slechter beroerder; slechtst
pis erger; slechter
plus difficile erger; moeilijker
plus mauvais erger; slechter
plus pénible erger; moeilijker

Related Words for "erger":


Wiktionary Translations for erger:


Cross Translation:
FromToVia
erger pire; plus mauvais worse — comparative form of bad

erger form of erg:


Translation Matrix for erg:

NounRelated TranslationsOther Translations
bien activa; bezit; bezittingen; eigendom; goederen; have
fort burcht; citadel; kasteel; ridderkasteel; ridderslot; slot
mal bezwaar; chagrijn; ergernis; grief; het klagen; inspanning; klacht; last; leed; moeite; ongemak; ongerief; pijn; pijn doen; soesa; zeer; zeer doen; ziekte
misérable deugniet; ellendeling; etter; etterbak; fielt; flierefluiter; geitenbreier; guit; klier; kreng; lammeling; lamzak; lanterfant; lanterfanter; lapzwans; leegloper; lijntrekker; mispunt; naarling; nietsnut; pauper; rakker; rotzak; schoft; schurk; slampamper; slapkous; smeerlap; smiecht; snaak; stinkerd; stuk ongeluk
sérieux ernst; gedegenheid; grondigheid; serieusheid
AdjectiveRelated TranslationsOther Translations
- naar
ModifierRelated TranslationsOther Translations
bien behoorlijk; behoorlijke; erg; in hoge mate aanlokkelijk; aardig; akkoord; bevallig; braaf; deugdzaam; gekuist; gereinigd; heerlijk; hemels; in orde; knap; kostelijk; lekker; leuk; lief; mee eens; mooi; netjes; overheerlijk; reuzelekker; schoon; smakelijk; sympathiek; verlokkend; verreweg; verrukkelijk; voorbeeldig; welgemaakt; zalig; zoet; zuiver
fort erg; fel; heftig; hevig; krachtig behoorlijk; bijzonder; buitengemeen; buitengewoon; buitensporig; corpulent; danig; degelijk; dik; duchtig; energiek; excessief; extreem; fantastisch; ferm; fiks; flink; formidabel; fors; forse; geanimeerd; gekruid; gepeperd; geweldig; gezet; grievend; hard; hardop; hartig; heel erg; heftig; hevig; hogelijk; hoogst; intens; intensief; krachtig; krenkend; kruidig; kwetsend; lawaaierig; levendig; lijvig; luid; luid klinkend; luidruchtig; pittig; potig; prachtig; robuust; rumoerig; solide; sterk; stevig; stevig gebouwd; stoer; ten zeerste; uitermate; uiterst; vet; vettig; vief; vol energie; vol fut; zeer; zwaarlijvig
fortement erg; fel; heftig; hevig; krachtig behoorlijk; danig; duchtig; flink; heftig; hevig; hoogst; intens; intensief; stoer; ten zeerste; uitermate
fâcheux erg; ernstig; kwalijk; van bedenkelijke aard bitter; boos; furieus; giftig; helaas; jammer; jammer genoeg; kwaad; nijdig; onverkwikkelijk; rampspoedig; razend; sneu; spijtig; spinnijdig; stuitend; toornig; vertoornd; vol tegenslag; woedend; woest; zeer boos; ziedend
grave erg; ernstig; kwalijk; van bedenkelijke aard bitter ernstig; deftig; eerbiedwaardig; ernstig; plechtig; plechtstatig; serieus; statig; vol ernst; waardig; werkelijk menend; zeer plechtig
hautement behoorlijk; behoorlijke; erg; in hoge mate
inquiétant erg; ernstig; kwalijk; van bedenkelijke aard angstaanjagend; angstwekkend; benard; benauwd; eng; ernstig; griezelig; hachelijk; kritiek; onrustbarend; ontstellend; penibel; schrikaanjagend; schrikwekkend; verontrustend; vreesaanjagend; vreeswekkend; zorgelijk; zorgwekkend
intense erg; fel; heftig; hevig; krachtig angstvallig; brandend; fel; fonkelend; gloeiend; hanig; heftig; hevig; intens; intensief; nauwlettend; onbeheerst; onstuimig; pinnig; scherp; snibbig; vinnig; vlijmend; vurig; warm; zorgvuldig
intensément erg; fel; heftig; hevig; krachtig heftig; hevig; intens; intensief
lamentable armzalig; bar; deerniswekkend; ellendig; erbarmelijk; erg; rampzalig afgrijselijk; afschuwelijk; bedonderd; beklagenswaardig; belazerd; deerlijk; deplorabel; diep ongelukkig; ellendig; ellendige; erbarmelijk; gruwelijk; hokkerig; jammerlijk; knudde; meelijwekkend; miserabel; stakkerig; verschrikkelijk; vreselijk; zielig
mal erg; ernstig; kwalijk; van bedenkelijke aard bedorven; gemeen; kwaadwillig; kwalijk; leed aandoend; menstruerend; met slechte intentie; min; onaanvaardbaar; onacceptabel; ongepast; ongesteld; onkies; onvertogen; rot; rottig; slecht; snood; vals; vergaan; verkeerd; verrot
mauvais erg; ernstig; kwalijk; van bedenkelijke aard arm; donker; dubieus; duister; gemeen; giftig; glibberig; inferieur; kwaadaardig; kwaadwillig; kwalijk; laag; laag-bij-de-grond; laaghartig; met slechte intentie; min; minderwaardig; niet lekker; niet smakelijk; obscuur; ondermaats; ondeugdelijk; onedel; ongepast; onguur; onkies; onvertogen; slecht; snood; tweederangs; vals; venijnig; verdacht; verkeerd; zwak
minable armzalig; bar; deerniswekkend; ellendig; erbarmelijk; erg; rampzalig achterbaks; armoedig; armzalig; bedonderd; belazerd; diep ongelukkig; doortrapt; droog; ellendig; flodderig; gehaaid; gemeen; geniepig; geraffineerd; geslepen; gewiekst; gluiperig; haveloos; in het geniep; leep; listig; luizig; pover; schamel; schooierig; schraal; schriel; sjofel; sjofeltjes; slinks; sluw; snood; stiekem; uitgekookt; verlopen
misérable armzalig; bar; deerniswekkend; ellendig; erbarmelijk; erg; rampzalig akelig; armelijk; armetierig; armoedig; armzalig; bedonderd; belazerd; beroerd; deplorabel; diep ongelukkig; droog; ellendig; ellendige; flodderig; funest; futloos; haveloos; hokkerig; karig; kwijnend; lamlendig; lamzalig; luizig; lusteloos; mager; mat; meelijwekkend; miserabel; naar; noodlottig; ongelukkig; pover; rampzalig; schamel; schooierig; schraal; schriel; sjofel; sjofeltjes; slap; verlopen
pitoyable armzalig; bar; deerniswekkend; ellendig; erbarmelijk; erg; rampzalig armzalig; bedonderd; beklagenswaardig; belazerd; deerlijk; deplorabel; diep ongelukkig; droog; ellendig; ellendige; erbarmelijk; jammerlijk; karig; mager; meelijwekkend; miserabel; ontzettend; pover; schamel; schraal; schriel; schrikaanjagend; schrikbarend; schrikwekkend; stakkerig; verschrikkelijk; vreselijk; zielig
sans valeur armzalig; bar; deerniswekkend; ellendig; erbarmelijk; erg; rampzalig waardeloos
sérieux erg; ernstig; kwalijk; van bedenkelijke aard degelijk; deugdelijk; ernstig; gedegen; heel erg; serieus; van goede hoedanigheid; vol ernst; werkelijk menend
très behoorlijk; behoorlijke; erg; in hoge mate bijzonder; buitengemeen; buitengewoon; buitensporig; excessief; extreem; heel erg; hogelijk; hoogst; pijnlijk; ten zeerste; uitermate; uiterst; zeer
vif erg; fel; heftig; hevig; krachtig actief; ad rem; adrem; alert; beweeglijk; bezet; bijdehand; bitter; bitter van smaak; blij; blijmoedig; dapper; dartel; druk; drukbezet; dynamisch; energiek; fel; ferm; flink; flitsend; geagiteerd; gevat; hanig; heftig; hel; hevig; hip; intens; intensief; kien; kittig; levendig; levenskrachtig; levenslustig; modieus; moedig; monter; moreel sterk; onbeheerst; ongeblust; onstuimig; opgetogen; opgewekt; oplettend; pienter; pinnig; raak; rap; scherp; scherpzinnig; slagvaardig; slim; snedig; snel; snibbig; spits; spitsvondig; tierig; trendy; uitgekiend; uitgekookt; uitgeslapen; verhit; verwoed; vinnig; vitaal; vlijmend; vlot; vlug; vrolijk; wakker
vivement erg; fel; heftig; hevig; krachtig actief; ad rem; beweeglijk; blij; blijmoedig; dartel; dynamisch; energiek; heftig; hevig; intens; intensief; levendig; levenslustig; monter; opgetogen; opgewekt; slagvaardig; tierig; vrolijk; wakker
véhément erg; fel; heftig; hevig; krachtig fel; geweldig; heftig; hevig; onbeheerst; onstuimig; verwoed

Related Words for "erg":


Synonyms for "erg":


Antonyms for "erg":


Related Definitions for "erg":

  1. heel veel, hevig1
    • ze had erge hoofdpijn1
  2. heel vervelend1
    • ik vind het erg dat hij boos is1

Wiktionary Translations for erg:

erg
adjective
  1. Qui attirer la considération par l’autorité, l’influence morale ou sociale.
  2. Qui peut avoir des conséquences fâcheuses.
  3. Plus grand ; plus important.
noun
  1. métrol|nocat=1 phys|fr unité de mesure de l’énergie du système CGS, définie comme le travail fait par la force de 1 dyne dans 1 centimètre, soit 10e|−7 joule, et dont le symbole est erg.
  1. -

Cross Translation:
FromToVia
erg très very — to a high degree

erger form of ergeren:

ergeren verb (erger, ergert, ergerde, ergerden, geërgerd)

  1. ergeren (irriteren; vervelen; op de zenuwen werken)
    – iets doen wat hij vervelend vindt 1
    énerver; irriter; agacer; piquer; s'irriter
    • énerver verb (énerve, énerves, énervons, énervez, )
    • irriter verb (irrite, irrites, irritons, irritez, )
    • agacer verb (agace, agaces, agaçons, agacez, )
    • piquer verb (pique, piques, piquons, piquez, )
    • s'irriter verb

Conjugations for ergeren:

o.t.t.
  1. erger
  2. ergert
  3. ergert
  4. ergeren
  5. ergeren
  6. ergeren
o.v.t.
  1. ergerde
  2. ergerde
  3. ergerde
  4. ergerden
  5. ergerden
  6. ergerden
v.t.t.
  1. heb geërgerd
  2. hebt geërgerd
  3. heeft geërgerd
  4. hebben geërgerd
  5. hebben geërgerd
  6. hebben geërgerd
v.v.t.
  1. had geërgerd
  2. had geërgerd
  3. had geërgerd
  4. hadden geërgerd
  5. hadden geërgerd
  6. hadden geërgerd
o.t.t.t.
  1. zal ergeren
  2. zult ergeren
  3. zal ergeren
  4. zullen ergeren
  5. zullen ergeren
  6. zullen ergeren
o.v.t.t.
  1. zou ergeren
  2. zou ergeren
  3. zou ergeren
  4. zouden ergeren
  5. zouden ergeren
  6. zouden ergeren
en verder
  1. ben geërgerd
  2. bent geërgerd
  3. is geërgerd
  4. zijn geërgerd
  5. zijn geërgerd
  6. zijn geërgerd
diversen
  1. erger!
  2. ergert!
  3. geërgerd
  4. ergerend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for ergeren:

VerbRelated TranslationsOther Translations
agacer ergeren; irriteren; op de zenuwen werken; vervelen aanblazen; aanstoken; aanwakkeren; jennen; koeioneren; kwellen; lastigvallen; narren; oppoken; opstoken; pesten; plagen; poken; sarren; stangen; stoken; tarten; teisteren; tergen; treiteren; uitdagen; zieken
irriter ergeren; irriteren; op de zenuwen werken; vervelen iets vergallen; jennen; pesten; plagen; raspen; sarren; schaven; schuren; stangen; tarten; tergen; treiteren; uitdagen; verknoeien; verstoren; vertoornen; zieken
piquer ergeren; irriteren; op de zenuwen werken; vervelen aanbijten; aanvreten; achteroverdrukken; afbedelen; afnemen; afpakken; aftroggelen; benemen; betrappen; bietsen; dichtbijten; gappen; graaien; grijpen; grissen; happen; inpikken; jatten; kapen; leegstelen; lekker eten; met spuit een medicijn toedienen; ontfutselen; ontnemen; ontvreemden; opwekken; opwinden; pikken; plunderen; prikkelen; prikken; raspen; roven; savoureren; schaven; schuren; smikkelen; smullen; snaaien; snappen; spuiten; steken; steken geven; stelen; stimuleren; toebijten; toehappen; toesnauwen; toeëigenen; verdonkeremanen; verdonkeren; verduisteren; vervreemden; weggraaien; wegkapen; wegnemen; wegpakken; wegpikken
s'irriter ergeren; irriteren; op de zenuwen werken; vervelen zich ergeren
énerver ergeren; irriteren; op de zenuwen werken; vervelen aanblazen; aanstoken; aanwakkeren; aanzetten; nerveus maken; opfokken; ophitsen; opjutten; oppoken; opruien; opstoken; poken; stoken

Synonyms for "ergeren":


Antonyms for "ergeren":


Related Definitions for "ergeren":

  1. je eraan storen1
    • ik erger me aan zijn muziek1
  2. iets doen wat hij vervelend vindt1
    • ik erger hem met die muziek1

Wiktionary Translations for ergeren:

ergeren
verb
  1. gevoelens van onvrede veroorzaken
  2. zich ~ aan gevoelens van onvrede ervaren
    • ergeren → s'énerver
ergeren
verb
  1. affecter d’une irritation nerveuse.
  2. Causer du chagrin, rendre triste.
  3. Impatienter.
  4. vieux|fr Avoir grand dépit de quelque chose ; enrager.
  5. Traductions à trier suivant le sens
  6. affaiblir par une trop grande dépense de force.
  7. Énerver, exaspérer, gaver.
  8. Remplir d’indignation
  9. désuet|fr rendre las.

Cross Translation:
FromToVia
ergeren gêner; ennuyer; embêter; agacer annoy — to disturb or irritate
ergeren troubler roil — render turbid
ergeren ennuyer; énerver vex — to annoy

Related Translations for erger