Dutch

Detailed Translations for beheerst from Dutch to French

beheerst:

beheerst adj

  1. beheerst

Translation Matrix for beheerst:

ModifierRelated TranslationsOther Translations
maître de soi beheerst evenwichtig; in evenwicht
équilibré beheerst evenwichtig; in evenwicht

Related Words for "beheerst":

  • beheerstheid

beheerst form of beheersen:

beheersen verb (beheers, beheerst, beheersde, beheersden, beheerst)

  1. beheersen (bedwingen; beteugelen; matigen; bedaren; intomen)
    maîtriser; retirer; apaiser; modérer; dominer; se contenir; se modérer; contraindre; brider; refouler; dompter; baisser de ton; retenir; reprendre; calmer; réprimer
    • maîtriser verb (maîtrise, maîtrises, maîtrisons, maîtrisez, )
    • retirer verb (retire, retires, retirons, retirez, )
    • apaiser verb (apaise, apaises, apaisons, apaisez, )
    • modérer verb (modère, modères, modérons, modérez, )
    • dominer verb (domine, domines, dominons, dominez, )
    • contraindre verb (contrains, contraint, contraignons, contraignez, )
    • brider verb (bride, brides, bridons, bridez, )
    • refouler verb (refoule, refoules, refoulons, refoulez, )
    • dompter verb (dompte, domptes, domptons, domptez, )
    • retenir verb (retiens, retient, retenons, retenez, )
    • reprendre verb (reprends, reprend, reprenons, reprenez, )
    • calmer verb (calme, calmes, calmons, calmez, )
    • réprimer verb (réprime, réprimes, réprimons, réprimez, )
  2. beheersen (beteugelen; intomen)
    contrôler; réprimer; maîtriser; dominer; refréner; brider; dompter
    • contrôler verb (contrôle, contrôles, contrôlons, contrôlez, )
    • réprimer verb (réprime, réprimes, réprimons, réprimez, )
    • maîtriser verb (maîtrise, maîtrises, maîtrisons, maîtrisez, )
    • dominer verb (domine, domines, dominons, dominez, )
    • refréner verb (refrène, refrènes, refrénons, refrénez, )
    • brider verb (bride, brides, bridons, bridez, )
    • dompter verb (dompte, domptes, domptons, domptez, )
  3. beheersen (machtiger zijn; overheersen; onderwerpen; heersen over)
    régner; dominer; gouverner
    • régner verb (règne, règnes, régnons, régnez, )
    • dominer verb (domine, domines, dominons, dominez, )
    • gouverner verb (gouverne, gouvernes, gouvernons, gouvernez, )
  4. beheersen (rustig blijven; inhouden; inslikken)

Conjugations for beheersen:

o.t.t.
  1. beheers
  2. beheerst
  3. beheerst
  4. beheersen
  5. beheersen
  6. beheersen
o.v.t.
  1. beheersde
  2. beheersde
  3. beheersde
  4. beheersden
  5. beheersden
  6. beheersden
v.t.t.
  1. heb beheerst
  2. hebt beheerst
  3. heeft beheerst
  4. hebben beheerst
  5. hebben beheerst
  6. hebben beheerst
v.v.t.
  1. had beheerst
  2. had beheerst
  3. had beheerst
  4. hadden beheerst
  5. hadden beheerst
  6. hadden beheerst
o.t.t.t.
  1. zal beheersen
  2. zult beheersen
  3. zal beheersen
  4. zullen beheersen
  5. zullen beheersen
  6. zullen beheersen
o.v.t.t.
  1. zou beheersen
  2. zou beheersen
  3. zou beheersen
  4. zouden beheersen
  5. zouden beheersen
  6. zouden beheersen
diversen
  1. beheers!
  2. beheerst!
  3. beheerst
  4. beheersend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for beheersen:

VerbRelated TranslationsOther Translations
apaiser bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen afkoelen; bedaren; begeerte stillen; bemoedigen; bevredigen; dempen; geruststellen; kalmeren; koel worden; matigen; ondersteunen; opbeuren; sussen; temperen; tevreden stellen; tot kalmte manen; troosten; vergenoegen; vertroosten; verzadigen; voldoening geven; zich de buik vol eten; zich matigen; zich verzoenen met
baisser de ton bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen
brider bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen
calmer bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen bedaren; begeerte stillen; bevredigen; dempen; geruststellen; kalmeren; matigen; met mate gebruiken; sussen; temperen; tot kalmte manen; voldoening geven; zich matigen
contraindre bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen aanvallen; afdwingen; africhten; attaqueren; bedwingen; bestormen; beteugelen; dier africhten; dresseren; dwingen; forceren; in bedwang houden; noodzaken tot; overvallen; trainen
contrôler beheersen; beteugelen; intomen bekijken; bezichtigen; checken; controleren; de overhand hebben; domineren; examineren; inspecteren; leerstof beheersen; nagaan; nakijken; natrekken; onder de knie hebben; overheersen; overhoren; testen; toetsen; verifieren; verifiëren; zekerstellen
dominer bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; heersen over; intomen; machtiger zijn; matigen; onderwerpen; overheersen bedwingen; beteugelen; de overhand hebben; domineren; gezaghebben; groeien; groot worden; heerschappij voeren; heersen; in bedwang houden; macht uitoefenen; onder gezag brengen; onderdrukken; onderwerpen; opgroeien; overheersen; overmannen; overmeesteren; overweldigen; regeren; terughouden; uitrijzen; uittorenen; zich meester maken van
dompter bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen africhten; bedwingen; beteugelen; dier africhten; dresseren; in bedwang houden; onder gezag brengen; onderdrukken; onderwerpen; overmannen; overmeesteren; overweldigen; temmen; terughouden; trainen; zich meester maken van
gouverner beheersen; heersen over; machtiger zijn; onderwerpen; overheersen aanvoeren; bedwingen; besturen; beteugelen; bevel voeren over; commanderen; de overhand hebben; gezaghebben; heerschappij voeren; heersen; in bedwang houden; leiden; leiding geven; leidinggeven; macht uitoefenen; managen; onderdrukken; overheersen; regeren; terughouden; voorzitten
maîtriser bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen bedwingen; beperken; beteugelen; de overhand hebben; domineren; gezaghebben; heersen; in bedwang houden; indammen; inkapselen; inperken; leerstof beheersen; limiteren; macht uitoefenen; onder de knie hebben; onder gezag brengen; onderdrukken; onderwerpen; overheersen; overmannen; overmeesteren; overweldigen; regeren; terughouden; zich meester maken van
modérer bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen dempen; lenigen; matigen; met mate gebruiken; temperen; verlichten; vermurwen; vervriendelijken; verweken; verzachten; week worden; zich matigen
refouler bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen bedwingen; beteugelen; gevoelens verdringen; in bedwang houden; inmaken; inpekelen; inzouten; onderdrukken; ophopen; opkroppen; opstapelen; opzouten; terugdrijven; terugdringen; terughouden; verdringen; wegdringen; wegdrukken; wegduwen; wegebben; wegschuiven; wegsteken; wegstoppen
refréner beheersen; beteugelen; intomen
reprendre bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen berispen; corrigeren; de draad weer oppakken; hernemen; heroveren; herroepen; hervatten; hervinden; intrekken; opnieuw beginnen; terechtwijzen; terugkomen op; terugroepen; terugvinden; verbeteren; vermanen; zijn woorden terugnemen
retenir bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen achterhouden; afhouden; aftrekken; bedwingen; beet hebben; beletten; bemantelen; beteugelen; blijven staan; charteren; dwarsbomen; dwarsliggen; ervanaf houden; geen afstand doen van; gevangen zetten; handhaven; houden; huren; in bedwang houden; in de cel zetten; in mindering brengen; inhouden; interneren; isoleren; naar zich toe trekken; niet laten gaan; onderdrukken; onthouden; opnemen; opslaan; opsluiten; reserveren; stand houden; stilhouden; stilstaan; stoppen; tegenwerken; terughouden; vasthebben; vasthouden; vastzetten; verbergen; verduisteren; verheimelijken; verhullen; verrekenen; versluieren; verstoppen; voorbehouden; weerhouden; wegstoppen
retirer bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen aanwrijven; achteroverdrukken; afbestellen; afgelasten; afnemen; afzeggen; annuleren; bedwingen; benemen; beroven van; beschuldigen; beteugelen; blameren; depriveren; gappen; herroepen; iemand iets aanrekenen; iemand iets verwijten; in bedwang houden; inpikken; intrekken; jatten; kapen; kwalijk nemen; laken; ledigen; leeghalen; leegmaken; leegstelen; loshalen; nadragen; nietig verklaren; ontfutselen; ontnemen; ontvreemden; pikken; plunderen; roven; snaaien; stelen; te kort doen; terugkomen op; terugroepen; toeëigenen; uithalen; verdonkeremanen; verdonkeren; verduisteren; vervreemden; voor de voeten gooien; wegkapen; wegnemen; wegpakken; wegpikken; zijn woorden terugnemen
régner beheersen; heersen over; machtiger zijn; onderwerpen; overheersen de overhand hebben; heerschappij voeren; heersen
réprimer bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen bedwingen; beteugelen; de kop indrukken; dempen; eronder krijgen; in bedwang houden; klein krijgen; matigen; onderdrukken; temperen; terughouden; zich matigen
se commander beheersen; inhouden; inslikken; rustig blijven
se contenir bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; inhouden; inslikken; intomen; matigen; rustig blijven bedwingen; beteugelen; blijven staan; goed houden; groot houden; in bedwang houden; inbinden; inhouden; onderdrukken; stilhouden; stilstaan; stoppen; terughouden; zich bedwingen
se modérer bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen bedwingen; besparen; beteugelen; in bedwang houden; matigen; minder gebruiken; onderdrukken; terughouden
se posséder beheersen; inhouden; inslikken; rustig blijven

Antonyms for "beheersen":


Related Definitions for "beheersen":

  1. iets kunnen1
    • hij beheerst het Nederlands perfect1
  2. kalm blijven1
    • hij wilde gaan schelden, maar hij beheerste zich1

Wiktionary Translations for beheersen:

beheersen
verb
  1. meester zijn, het gezag uitoefenen
  2. verstaan

Cross Translation:
FromToVia
beheersen contrôler control — to exercise influence over, to suggest or dictate the behavior of

External Machine Translations: