Dutch

Detailed Translations for niemendalletje from Dutch to Spanish

niemendalletje:

niemendalletje [het ~] noun

  1. het niemendalletje
    la chuchería; la insignificancia; el pequeño regalo
  2. het niemendalletje (kleinigheid; futiliteit; onbelangrijk iets; )
    la bagatela; la nadería; la tontería; la cosita; la friolera; la nimiedad; la fruslería; la futulidad; la insignificancia

Translation Matrix for niemendalletje:

NounRelated TranslationsOther Translations
bagatela bagatel; dingetje; futiliteit; kleinigheid; niemendalletje; onbelangrijk iets; peulenschil; wissewasje bagatel; beetje; kinderwerk; kleinigheid; peulenschil; wissewasje
chuchería niemendalletje bijou; hebbeding; juweel; kleinigheid; kleinood; sieraad; snuisterij
cosita bagatel; dingetje; futiliteit; kleinigheid; niemendalletje; onbelangrijk iets; peulenschil; wissewasje
friolera bagatel; dingetje; futiliteit; kleinigheid; niemendalletje; onbelangrijk iets; peulenschil; wissewasje akkefietje; bagatel; beetje; kinderwerk; klein cadeautje; kleinigheid; koukleum; koulijder
fruslería bagatel; dingetje; futiliteit; kleinigheid; niemendalletje; onbelangrijk iets; peulenschil; wissewasje kinderwerk
futulidad bagatel; dingetje; futiliteit; kleinigheid; niemendalletje; onbelangrijk iets; peulenschil; wissewasje
insignificancia bagatel; dingetje; futiliteit; kleinigheid; niemendalletje; onbelangrijk iets; peulenschil; wissewasje beetje; doofstomheid; drukte; geesteloosheid; kinderlijkheid; kleinigheid; kouwe drukte; naïveteit; naïviteit; niet geldig zijn; nietigheid; onbenulligheid; onnozelheid; onwetendheid; simpelheid; stomheid; stompzinnigheid
nadería bagatel; dingetje; futiliteit; kleinigheid; niemendalletje; onbelangrijk iets; peulenschil; wissewasje beetje; flauwe grap; flauwiteit; geesteloosheid; kleinigheid
nimiedad bagatel; dingetje; futiliteit; kleinigheid; niemendalletje; onbelangrijk iets; peulenschil; wissewasje beetje; kleinhartigheid; kleinigheid; lafheid
pequeño regalo niemendalletje klein cadeautje; kleinigheid
tontería bagatel; dingetje; futiliteit; kleinigheid; niemendalletje; onbelangrijk iets; peulenschil; wissewasje achterlijkheid; bagatel; dolheid; flauwe grap; flauwiteit; furie; geesteloosheid; geestesziekte; gekheid; idioterie; kleinigheid; klets; kletspraat; kolder; krankzinnigheid; malheid; malligheid; onbezonnenheid; ondoordachtheid; ondoordachtzaamheid; peulenschil; quatsch; razernij; schaapachtigheid; waanzin; wambuis; wissewasje

Related Words for "niemendalletje":

  • niemendalletjes