Summary
Dutch to Spanish:   more detail...
  1. bezet:
  2. Bezet:
  3. bezetten:
  4. Wiktionary:
  5. User Contributed Translations for bezet:
    • ocupada


Dutch

Detailed Translations for bezet from Dutch to Spanish

bezet:


Translation Matrix for bezet:

NounRelated TranslationsOther Translations
activo actieve vorm; activa; activum; bedrijvende vorm
vivo vluggerd
AdjectiveRelated TranslationsOther Translations
activo bezet; druk; drukbezet actief; arbeidend; arbeidzaam; bedrijvig; beweeglijk; bezig; druk; dynamisch; energiek; geagiteerd; krachtig; levendig; met een krachtige uitwerking; nijver; verhit; werkend; werkzaam
no disponible lichter gekleurd; niet beschikbaar; uitgeschakeld
ocupado bezet; druk; drukbezet onledig
Not SpecifiedRelated TranslationsOther Translations
no disponible bezet n.v.t.; niet van toepassing
ModifierRelated TranslationsOther Translations
agitado bezet; druk; drukbezet bewogen; geagiteerd; gehaast; gejaagd; geprikkeld; gestressed; geërgerd; geïrriteerd; haastig; hard; hardop; hectisch; heftig; jachtig; joelend; levendig; luid; onbeheerst; ongedurig; onrustig; onstuimig; roerig; rusteloos; schreeuwend; turbulent; veelbewogen; verhit; woelig
alegre bezet; druk; drukbezet bevredigd; blij; blijgeestig; blijgestemd; blijmoedig; dartel; fideel; fleurig; frivool; geagiteerd; geestig; genoeg; goed geluimd; goedgehumeurd; goedgeluimd; goedlachs; heugelijk; heuglijk; hooggekleurd; hups; jolig; kleurig; kleurrijk; kwiek; levendig; levenslustig; lichtzinnig; losbandig; losjes; luchthartig; luchtig; lustig; monter; opgeruimd; opgetogen; opgewekt; speels; tevreden; tierig; uitgelaten; verblijd; verblijdend; vergenoegd; verheugd; verhit; verzadigd; voldaan; vrolijk; wakker; welgemoed; welgestemd; wuft; zonnig
animado bezet; druk; drukbezet actief; bedrijvig; beweeglijk; bezig; blij; blijgestemd; blijmoedig; druk; drukpratend; dynamisch; energiek; geagiteerd; geanimeerd; goed geluimd; goedgehumeurd; goedgeluimd; levendig; opgekikkerd; opgeknapt; opgemonterd; opgetogen; opgevrolijkt; opgewekt; verhit; vief; vol fut; vrolijk; welgemoed; welgestemd
ardiente bezet; druk; drukbezet brandend; fel; fervent; fonkelend; geagiteerd; gepassioneerd; gloeiend; hartstochtelijk; heetbloedig; heethoofdig; heftig; hevig; levendig; met hevige passie; roodgloeiend; soppig; verhit; vurig; warm
atareado bezet; druk; drukbezet
de buen humor bezet; druk; drukbezet blij; blijmoedig; dartel; gelukkig gestemd; goed geluimd; goedgehumeurd; goedgeluimd; goedgezind; gunstig gezind; levendig; levenslustig; monter; opgetogen; opgewekt; tierig; vrolijk; welgemoed; welgestemd; welgezind
despierto bezet; druk; drukbezet ad rem; adrem; behendig; bekwaam; bij de pinken; bijdehand; clever; geagiteerd; gehaaid; geniaal; geslepen; gevat; gewiekst; goochem; handig; kien; kundig; leep; levendig; loos; pienter; raak; schrander; slagvaardig; slim; sluw; snedig; spits; uitgekookt; uitgeslapen; vaardig; verhit; vernuftig; wakker; zoekgeraakt
festivo bezet; druk; drukbezet feestelijk
frecuente bezet; druk; drukbezet dikwijls; frequent; geregeld; herhaald; meermaals; menigmaal; met vast ritme; regelmatig; vaak; veel; veelvuldig
intenso bezet; druk; drukbezet beslist; besluitvaardig; bitter teleurgesteld; diep; diepgevoeld; doordringend; felle; gedecideerd; grimmig; heftig; hevig; indringend; innig; intens; intensief; kordaat; nijpend; onbeheerst; onderdrukt; onstuimig; opgekropt; resoluut; schel klinkend; scherp; smartelijk; vastberaden; verbeten; verbitterd; verkropt
prolífero bezet; druk; drukbezet
recargado bezet; druk; drukbezet
vigoroso bezet; druk; drukbezet breed; daadkrachtig; dapper; doortastend; drastisch; dynamisch; energiek; ferm; fiks; flink; fors; fysiek sterk; groot; intens; intensief; krachtdadig; krachtig; massief; met een krachtige uitwerking; moedig; moreel sterk; potig; robuust; sterk; stevig; struis; uit de kluiten gewassen; zwaar; zwaargebouwd
vivo bezet; druk; drukbezet achterbaks; actief; adrem; berekenend; bevredigd; beweeglijk; bij de pinken; bijdehand; bitter teleurgesteld; blij; blijgestemd; blijmoedig; clever; doortrapt; dynamisch; energiek; felle; fleurig; geagiteerd; gebloemd; gehaaid; gemeen; geniepig; genoeg; geraffineerd; geslepen; gevat; gewiekst; gis; gluiperig; goedgehumeurd; goedgeluimd; goochem; in leven; kien; kittig; kleurrijk; leep; levend; levendig; listig; ongeblust; opgetogen; opgewekt; pienter; raak; schrander; slim; slinks; sluw; snedig; snood; spits; stiekem; tevreden; uitgekookt; uitgeslapen; verbitterd; vergenoegd; verhit; verzadigd; voldaan; vrolijk; welgemoed; welgestemd

Related Definitions for "bezet":

  1. een ander land of een andere groep is er de baas1
    • dit gebied is bezet door de moslims1
  2. in gebruik door iemand anders1
    • de toilet is bezet1

Wiktionary Translations for bezet:

bezet
adjective
  1. gedomineerd door de aanwezigheid van...

Cross Translation:
FromToVia
bezet comunicado; ocupado engaged — already involved in a telephone call
bezet reservado occupied — reserved
bezet ocupado occupied — busy
bezet ocupado occupied — militarily subjugated

Bezet:

Bezet adj

  1. Bezet

Translation Matrix for Bezet:

Not SpecifiedRelated TranslationsOther Translations
Ocupado Bezet

bezetten:

bezetten verb (bezet, bezette, bezetten, bezet)

  1. bezetten (ontoegankelijk maken)

Conjugations for bezetten:

o.t.t.
  1. bezet
  2. bezet
  3. bezet
  4. bezetten
  5. bezetten
  6. bezetten
o.v.t.
  1. bezette
  2. bezette
  3. bezette
  4. bezetten
  5. bezetten
  6. bezetten
v.t.t.
  1. heb bezet
  2. hebt bezet
  3. heeft bezet
  4. hebben bezet
  5. hebben bezet
  6. hebben bezet
v.v.t.
  1. had bezet
  2. had bezet
  3. had bezet
  4. hadden bezet
  5. hadden bezet
  6. hadden bezet
o.t.t.t.
  1. zal bezetten
  2. zult bezetten
  3. zal bezetten
  4. zullen bezetten
  5. zullen bezetten
  6. zullen bezetten
o.v.t.t.
  1. zou bezetten
  2. zou bezetten
  3. zou bezetten
  4. zouden bezetten
  5. zouden bezetten
  6. zouden bezetten
diversen
  1. bezet!
  2. bezet!
  3. bezet
  4. bezettend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for bezetten:

VerbRelated TranslationsOther Translations
hacer inaccesible bezetten; ontoegankelijk maken
- innemen

Synonyms for "bezetten":


Related Definitions for "bezetten":

  1. de leiding overnemen1
    • in de oorlog werd Nederland door Duitsland bezet1
  2. uit protest in beslag nemen1
    • deze actiegroep heeft de kerk bezet1
  3. een plaats in beslag nemen1
    • de hele rij stoelen was door onze familie bezet1

Wiktionary Translations for bezetten:

bezetten
verb
  1. in gebruik nemen

Cross Translation:
FromToVia
bezetten desempeñar; ocupar; habitar; atender occuper — Traductions à trier suivant le sens

Related Translations for bezet